Geprint vanhttps://www.tuinadvies.nl/artikels/groenbemesters_soorten

Tuinadvies

Toon alles uit: "Moestuin"

Vlinderbloemige en niet-vlinderbloemige groenbemesters

Groenbemesting

Wat verstaat men onder groenbemesting?

Onder groenbemesting verstaat men het onderploegen of onderspitten van planten of plantendelen voor de bemesting.
Toch maak ik direct onderscheid in 2 groepen:

  • de vlinderbloemige gewassen voor dat doel.
  • de niet-vlinderbloemige gewassen.

Gaat men vlinderbloemigen zaaien voor groenbemesting, dan zal door dat gewas stikstof aan de grond worden toegevoegd. Dat gebeurt vooral in de bovenste laag, waar de (aërobe) wortelknolletjes bacteriën in symbiose leven met deze gewassen. D.w.z. deze bacteriën halen de stikstof uit de lucht en leveren dat aan de planten en krijgen daar zelf voeding en vocht van de plant voor terug. De plant heeft van deze bacteriën zelf helemaal geen last. Het is dus een nuttige bacterie. (Je kunt de wortelknolletjes heel goed zien bij tuinbonen)
De hoeveelheid stikstof die gebonden wordt is aanzienlijk en zal na het onderwerken van het gewas geleidelijk aan weer omgezet worden voor het gewas dat er na geteeld wordt. Het liefst teelt men na deze vlinderbloemigen, dan ook bladgewassen (prei en boerenkool bv.)
Naast deze stikstofleverantie (kan wel 40kg zuivere stikstof/ha zijn) wordt er ook organische stof aan de grond toegevoegd, wat uiteindelijk ook weer humus zal worden.
Humus is in elke cultuurgrond nodig. Het is de zwarte stof die achterblijft na de vertering. Het is een soort spons, die water kan vasthouden en ook kan humus voedingstoffen vasthouden en tegen uitspoeling behoeden. De voedingsstoffen die kunnen worden vastgehouden door humus zijn: ammoniakstikstof, kalium, magnesium en calcium (kalk). Deze voedingsstoffen zullen door de vastlegging voor uitspoeling behoed worden. Ook de spoorelementen worden zo bewaard.


bladramenas

De niet-vlinderbloemigen leveren dus geen voedingstoffen aan de grond, want de planten halen om te groeien eerst zelf voedingstoffen uit je grond, groeien daarvan en na het onderwerken komen die voedingstoffen geleidelijk weer ter beschikking van de gewassen, die daarna geteeld worden. Wel voorkomen deze gewassen dus uitspoeling van vooral nitraatstikstof, omdat ze dat zelf opnemen. Ook zullen deze niet-vlinderbloemigen andere voedingstoffen opnemen, zoals fosfaat, kali, magnesium, calcium en spoorelementen . Al deze voedingstoffen worden opgeslagen in het gewas en na onderwerking en vertering komen deze voedingstoffen weer vrij voor het gewas, dat erna geteeld wordt. En ook zal er weer humus in de grond achterblijven.
Voor alle groenbemestinggewassen geldt, dat de grond begroeid is en dat is beter dan de grond onbedekt te laten en het gaat de onkruidgroei tegen en het is beter voor de structuur van de grond (verhouding grond: water: lucht).
Voorbeelden van vlinderbloemigen zijn: luzerne, klavers,lupinen en serradelle .
Voorbeelden van niet-vlinderbloemigen zijn: snijrogge, stoppelknollen, bladramenas, huttentut of boterzaad, mosterd, Phacelia.
Als er op je tuin knolvoet in de koolplanten voorkomt, dan ben ik geen voorstander van kruisbloemigen (stoppelknollen, bladramenas. huttentut, bladramenas) , maar dan zou ik kiezen voor snijrogge, omdat anders de knolvoetschimmel in stand gehouden wordt.


mosterd

De keuze van de groenbemester zal ook vooral bepaald worden of je het gaat telen als hoofdgewas of als na-gewas.
Als hoofdgewas zijn geschikt: lupinen, luzerne en klavers. Je bent dan de grond voor bijna een heel groeiseizoen kwijt voor de productie van andere gewassen. Maar het kan heel goed, als een perceel grond voor een tijd braak moet blijven liggen.
Als na-gewas kun je snijrogge, mosterd, stoppelknollen, bladramenas, huttentut en Phacelia goed gebruiken.

De bemesting van al deze gewassen voor groenbemesting is over het algemeen overbodig, want ze moeten vooral zelf de voedingstoffen, die verloren dreigen te gaan zelf opnemen.
Misschien in het begin wat bemesten met 12+10+18 om een dicht gewas te krijgen.
Maar de vlinderbloemigen, die als hoofdgewas geteeld worden, zou men in het begin even wat stikstofmeststof kunnen geven om de begingroei wat te stimuleren.

De prijs van het zaaizaad van niet-vlinderbloemigen is aanzienlijk goedkoper, dan van vlinderbloemigen.

Zaaitijd
Vlinderbloemigen als nateelt moeten toch wel vóór 1 augustus gezaaid worden en stoppelknollen, mosterd, Phacelia, kun je wel tot 1 september en snijrogge nog wel later, dan wordt de rogge ook niet zo lang meer. Mocht de rogge door de gunstige omstandigheden te lang worden, dan kun je die gerust afmaaien en op de composthoop verder verwerken.

Wanneer onderwerken?
Op zware grond verkies je het onderwerken voor de winter, mits de grond niet te nat is.
Op lichtere grond doet men dat het liefst wat vroeg in het voorjaar.
Bij sommige gewassen moet je wel even wachten voordat ze doodgevroren zijn (mosterd, bladramenas).


Boterzaad

Zijn er geen nadelen aan een groenbemester?

Jawel, maar ze wegen niet op tegen de voordelen. Zo kun je in te dun gezaaide vlinderbloemigen last hebben van wat meer onkruid, omdat dat ook profiteert van de extra stikstof.
Groenbemesters moet je dus aardig dicht zaaien, maar ook weer niet overdrijven.
Ook kun je in het na-gewas wat meer last hebben van bladrandkevers, ritnaalden of lakken.
Stond de groenbemester niet mooi egaal, dan zal het na-gewas ook niet helemaal egaal staan.


#1295